De discussie over de hoogte en het doel van verkeersboetes in Nederland is opnieuw opgelaaid na opvallende uitspraken van Rinus Otte, de hoogste baas van het Openbaar Ministerie (OM). In het tv-programma WNL Op Zondag zei Otte dat de verhouding tussen verschillende boetes scheef is en dat de bedragen in het verkeer buitensporig hoog zijn. Daarmee sluit hij aan bij eerdere kritiek van CJIB-directeur Albert Hazelhoff, die stelde dat Nederland tot de duurste landen van Europa behoort als het gaat om verkeersboetes.
Aanleiding
Al jaren klinkt kritiek dat verkeershandhaving niet alleen is bedoeld voor veiligheid, maar ook om begrotingsgaten te dichten. Dat geluid kwam nu opvallend genoeg niet van actievoerende organisaties of politieke oppositie, maar vanuit de top van het justitiƫle apparaat zelf. Otte onderstreepte dat de hoogte van verkeersboetes politiek wordt bepaald en dat de verhouding met boetes voor andere strafbare feiten uit balans is. Zijn opmerkingen zetten de verhoudingen tussen beleid, veiligheid en financiering opnieuw op scherp.

Wat zei het OM
Volgens Otte worden boetes voor strafbare feiten doorgaans afgestemd op de ernst van het delict en blijven die relatief beperkt. Voor verkeersboetes ligt dat anders. Die vallen onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en Veiligheid en zijn, zo stelde Otte, mede door financiĆ«le keuzes zeer hoog geworden. Hij wees daarbij op de discrepantie tussen boetes in het verkeer en die voor geweldsdelicten, met de kernzin: āDe boete voor het uitdelen van een klap is lager dan voor bellen achter het stuur. Die verhouding is scheef.ā
De opmerkingen van Otte sluiten aan bij wat CJIB-directeur Hazelhoff eerder zei: in Europees perspectief vallen de Nederlandse verkeersboetes op door hun hoogte. Dat vergroot de roep om herijking: niet per se minder handhaving, maar wel een evenwichtiger en begrijpelijker stelsel, aldus de betrokken bestuurders.
Voorbeelden van bedragen
De recente discussie richt zich sterk op concrete boetebedragen die veel automobilisten herkennen:
- Door rood licht rijden: 310 euro
- Vasthouden van een telefoon tijdens het rijden: 430 euro
- Onnodig links rijden op de snelweg: 280 euro
Deze bedragen worden door critici disproportioneel genoemd, zeker wanneer ze worden vergeleken met straffen voor andere vergrijpen. Otte noemt dat gebrek aan proportionaliteit een structureel probleem. Voorstanders van hoge verkeersboetes wijzen er doorgaans op dat strenge prikkels nodig zijn om gevaarlijk gedrag te ontmoedigen en de verkeersveiligheid te verbeteren. Het debat draait daarmee niet alleen om geld, maar ook om de vraag wat werkt en rechtvaardig voelt.
Politieke reactie
De politieke reacties volgden snel. Demissionair minister van FinanciĆ«n Eelco Heinen (VVD) erkende dat de boetes stevig zijn, maar wees tegelijk op de begrotingsrealiteit. āTegelijkertijd hebben we het ook nodig. Ik zou zeggen: rijd niet door rood, dan hoef je het ook niet te betalen,ā zei Heinen. Met die uitspraak benadrukte hij het normerende karakter van de boetes, al stuitte die formulering op kritiek vanwege de beperkte aandacht voor proportionaliteit en betaalbaarheid.
Minister van Justitie en Veiligheid Foort van Oosten (VVD) ging in op de financiĆ«le kant van de discussie. Hij stelde dat de inkomsten uit verkeersboetes onderdeel zijn van de bredere financiering van veiligheid, waaronder politie en brandweer. In een Kamerbrief schreef hij dat het OM had geadviseerd de boetes met 30 procent te verlagen, maar dat zoān stap een gat van circa 300 miljoen euro in de begroting zou slaan. Ook het besluit om boetes niet te indexeren met inflatie zou volgens hem circa 30 miljoen euro kosten. Daarmee verbond hij de discussie over proportionaliteit direct aan de dekking van uitgaven op het terrein van veiligheid.
Achtergrond en context
In Nederland vallen veel verkeersboetes onder administratieve afhandeling, waarbij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de inning verzorgt. De tarieven worden periodiek aangepast, onder meer via indexatie. Tegenstanders van de huidige hoogte wijzen erop dat boetes in korte tijd zijn opgelopen, waardoor relatief kleine fouten financieel zwaar kunnen uitpakken, vooral voor mensen met een laag of gemiddeld inkomen. Voorstanders antwoorden dat zwaardere prikkels leiden tot minder gevaarlijke situaties en dat het aantal overtredingen mede door stevige boetes lager kan uitvallen.
Wat de discussie extra gevoelig maakt, is de veronderstelling dat financiƫle overwegingen boven veiligheid zouden staan. De uitspraak van Otte dat de balans zoek is, voedt die zorg. Tegelijkertijd benadrukken betrokken ministers dat de opbrengsten van boetes in de praktijk meespelen in de begroting voor veiligheidstaken. De kernvraag blijft daarmee of de tarieven primair vanuit verkeersveiligheid moeten worden bepaald, of dat budgettaire afwegingen onvermijdelijk een rol spelen.

Gevolgen en debat
De politieke en maatschappelijke gevolgen van de uitlatingen zijn substantieel. Voor de korte termijn is er druk op het kabinet om inzichtelijk te maken hoe tariefstelling precies tot stand komt, welke afwegingen zijn gemaakt en in hoeverre een herziening mogelijk is zonder gaten in de begroting te laten vallen. Voor de langere termijn ligt een systematische herijking voor de hand: een vergelijking tussen de proportionaliteit van verkeersboetes en die van andere strafrechtelijke sancties, en een debat over inkomensafhankelijke boetes of andere differentiatiemodellen, zoals in sommige Europese landen wordt toegepast.
Bovendien speelt de vraag of de communicatie naar burgers beter kan. Als verkeersveiligheid de primaire doelstelling is, verwachten burgers dat in tarieven en prioriteiten terug te zien. Dat vraagt om transparante onderbouwingen: welke boetes zorgen aantoonbaar voor gedragsverandering, waar ontstaat scheefgroei, en hoe wordt voorkomen dat boetes een onevenredige last vormen voor specifieke groepen?
Vooruitblik en slot
Met het signaal van OM-baas Otte en de eerdere opmerkingen van CJIB-directeur Hazelhoff is het debat over verkeersboetes nadrukkelijk op de politieke agenda gezet. Het is nu aan kabinet en Kamer om te bepalen of en hoe de tarieven moeten worden herijkt, en of budgettaire afhankelijkheid kan of moet worden verminderd. Een scenario is dat het kabinet inzet op betere onderbouwing per overtreding en op meer proportionaliteit, eventueel in stappen om budgettaire schokken te beperken. Een ander scenario is het handhaven van het huidige niveau, met een sterkere nadruk op de veiligheidsdoelen en naleving.
Wat de uitkomst ook wordt: duidelijk is dat er behoefte is aan een transparanter systeem dat begrijpelijk en verdedigbaar is voor iedereen op de weg. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet. Wat vindt u: moeten verkeersboetes omlaag, gelijk blijven, of juist anders worden ingericht? Reageer via onze sociale kanalen.





