Als je alleen woont, AOW ontvangt en Wmo-hulp krijgt, kan je eigen bijdrage vanaf 2028 flink veranderen. Vooral spaargeld en aanvullend pensioen gaan meetellen. We zetten de nieuwe rekensom, drempels en concrete voorbeelden helder op een rij.
Wat er verandert in de Wmo-bijdrage vanaf 2028
Het kabinet wil het vaste abonnementstarief vervangen door een inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage. Het is nog een plan, geen wet: beide Kamers moeten instemmen. Beoogde start is 1 januari 2028, maar er kan onderweg nog schuiven.
De bijdrage wordt straks bepaald op basis van je ‘bijdrageplichtig inkomen’: je verzamelinkomen plus een bijtelling voor vermogen. De uitvoering ligt bij het CAK. Veel rekenvoorbeelden staan in prijzen van 2025 en kunnen door indexatie anders uitvallen.
Voor wie alleen woont: lagere drempels en andere rekensom
Alleenstaanden hebben lagere grenzen dan stellen, waardoor je sneller in de hogere bijdrage kunt vallen. In dit stuk rekenen we daarom specifiek voor wie alleen woont en Wmo-ondersteuning krijgt, zoals huishoudelijke hulp of begeleiding.
Belangrijk: het gaat om je vermogen in box 3, dus je bezittingen min schulden, exclusief de eigen woning waarin je zelf woont. Dat huis telt dus niet mee. Spaargeld en beleggingen tellen dat wel, elk op hun eigen manier mee.

Twee spaargrenzen die echt uitmaken
De eerste grens is de bijtellingsgrens. Voor een bijdrage in 2028 kijkt de wet naar het peiljaar 2026. Voor alleenstaanden is de grens dan 38.479 euro. Boven dat bedrag telt 4 procent van je vermogen mee als extra inkomen.
De tweede grens is het heffingvrije vermogen in box 3: 59.357 euro in 2026. Daarboven krijg je ook box 3-inkomen in je verzamelinkomen. Over spaargeld telt voorlopig 1,28 procent als inkomen. Boven beide grenzen ‘telt’ spaargeld dus dubbel.
Zo groeit je bijdrage stap voor stap
Als alleenstaande AOW’er betaal je tot een bijdrageplichtig inkomen van 24.598 euro het minimum: 23,60 euro per maand. Die grens volgt uit DDS-berekeningen met een maximum van 328 euro per maand, dat wordt bereikt bij 61.126 euro.
Kom je boven de inkomensgrens, dan telt er maandelijks een twaalfde van 10 procent van het meerdere bij. De inkomensgrens is 135 procent van het sociaal minimum; voor AOW’ers is dat de bruto AOW. Voorbeelden staan in prijzen van 2025.
Rekenvoorbeelden met alleen AOW
Stel: je hebt alleen AOW, ongeveer 18.221 euro per jaar, en spaargeld op de bank. Met 50.000 of 100.000 euro blijf je op 23,60 euro per maand. Dat is circa 31 euro per jaar meer dan het vaste tarief van 21 euro.
Heb je 200.000 euro spaargeld, dan loopt de bijdrage op naar 39,30 euro per maand. Dat is ongeveer 220 euro per jaar meer. Tussen 38.479 en 59.357 euro werkt alleen de 4 procent bijtelling; daarboven werkt ook box 3-inkomen mee.
Rekenvoorbeelden met AOW en 500 euro pensioen
Met AOW plus 500 euro pensioen per maand kom je op circa 24.221 euro per jaar. Bij 50.000 euro spaargeld wordt het 24,30 euro per maand, ongeveer 40 euro per jaar meer dan het vaste tarief. Je zit net boven het minimum.
Met 100.000 euro stijgt het naar 45,30 euro per maand. Met 200.000 euro wordt het 89,30 euro per maand. Omgerekend is dat ongeveer 820 euro per jaar meer dan het vaste tarief, in prijzen van 2025.
Rekenvoorbeelden met AOW en 1.000 euro pensioen
Met AOW plus 1.000 euro pensioen per maand kom je op ongeveer 30.221 euro per jaar. Bij 50.000 euro spaargeld betaal je 74,30 euro per maand; bij 100.000 euro 95,30 euro. Zonder spaargeld zit je al rond 70,46 euro per maand.
Met 200.000 euro spaargeld wordt het 139,30 euro per maand, ruim 1.400 euro per jaar meer dan het vaste tarief. De minister noemt in 2026-prijzen een maximum van circa 340 euro; DDS rekende dit voorbeeld dan terug naar ongeveer 123 euro per maand.
Wat elk extra spaarbedrag doet boven de grens
Tussen 38.479 en 59.357 euro werkt alleen de bijtelling van 4 procent. Boven 59.357 euro telt ook box 3-inkomen mee. In die zone zorgt elke extra 10.000 euro spaargeld voor ongeveer 4,40 euro extra per maand, mits je boven de inkomensgrens zit.
Let op dat dit een optelsom is: de bijtelling vergroot je bijdrageplichtig inkomen, en box 3-inkomen doet dat óók. Zo ‘werkt’ spaargeld dubbel, vooral als je al boven de inkomensdrempel uitkomt door AOW en pensioen samen.
Spaargeld op de bank of belegd: groot verschil
Spaargeld in 2026 telt voorlopig mee met 1,28 procent opbrengst. Belegd vermogen weegt zwaarder: 6 procent in 2026. Met 200.000 euro volledig belegd en 1.000 euro pensioen kom je daardoor op circa 194,62 euro per maand aan bijdrage.
Dat verschil kan fors doorwerken in je bijdrageplichtig inkomen. Zeker boven het heffingvrije vermogen in box 3 telt dan zowel de 4 procent bijtelling als het — hogere — box 3-inkomen mee. Reken dus kritisch door als je vooral belegt.
Peiljaar en het tellen van 1 januari 2026
De Wmo-bijdrage kijkt twee kalenderjaren terug. Voor 2028 gaat het dus om je inkomen in 2026 en je vermogen op 1 januari 2026. Dat saldo staat al vast. Voor 2029 telt 1 januari 2027 als peildatum voor vermogen.
Noteer je banksaldo’s van 1 januari 2026 en bewaar je aangifte over 2026. Het kabinet wil een rekentool op de CAK-website plaatsen om je eigen bedrag te schatten. Aantal uren hulp speelt geen rol; bij te weinig draagkracht kan de gemeente ontheffing geven.
Valt je inkomen of vermogen terug? Dit kun je doen
Daalt je bijdrageplichtig inkomen aantoonbaar, dan kun je het CAK vragen te rekenen met het lopende jaar. Voor 2027 geldt een drempel: minstens 3.387,80 euro lager. Het CAK past dit alleen toe als het gunstiger voor je uitpakt.
Praktisch voorbeeld: zakt je spaargeld van 200.000 naar 100.000 euro, dan daalt de bijtelling al met 4.000 euro. Dat overschrijdt de drempel, waardoor een herberekening je maandelijkse bijdrage merkbaar kan verlagen zodra je dat aanvraagt.
Wat betekent dit voor jouw portemonnee tot 2028
Tot de invoering blijft het vaste tarief gelden: 21,80 euro per maand in 2026 en 22,40 euro in 2027. De hogere bijdragen gaan dus pas spelen vanaf de geplande ingangsdatum in 2028, na parlementaire goedkeuring en indexatie.
Met alleen AOW blijf je tot circa 164.000 euro spaargeld op het minimum van 23,60 euro per maand. Met 500 euro pensioen verschuift het omslagpunt naar rond 47.900 euro spaargeld. Met 1.000 euro pensioen zit je zónder spaargeld al boven minimum.
Politiek proces, indexatie en wat nog kan schuiven
De ‘Wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015’ staat in de week van 9 november op de agenda van de Tweede Kamer. Minister Sterk schreef op 4 november dat sommige cliënten door inkomen en vermogen straks fors meer gaan betalen. Beide Kamers moeten nog instemmen.
Alle bedragen hierboven zijn in prijzen van 2025, tenzij anders vermeld. Indexatie van grenzen, rendementen en de AOW kan de uiteindelijke bijdrage in 2028 lager of hoger maken. We volgen het voor je. Reageer gerust op onze sociale media: hoe kijk jij hiernaar?
Bron: dagelijksestandaard.nl





