Het RIVM heeft bevestigd dat in de provincie Utrecht iemand is overleden aan de gevolgen van het westnijlvirus, opgelopen in Nederland. Het gaat om een persoon ouder dan tachtig met onderliggende aandoeningen. Dit jaar werden drie binnenlandse besmettingen vastgesteld; één patiënt ligt nog in het ziekenhuis. Tegelijkertijd is het virus aangetroffen bij muggen, vogels en paarden in meerdere provincies. De kans om het op te lopen blijft volgens het RIVM klein, maar de melding is een duidelijke wake-upcall: het door muggen overgedragen virus is inmiddels een zomergast die we serieus moeten nemen.
Overlijden in Utrecht
De overledene, een kwetsbare Utrechter van boven de tachtig, raakte in eigen land besmet en is in het ziekenhuis gestorven, meldt het RIVM. De instantie benadrukt dat het om een uitzonderlijk ernstig beloop gaat, niet om de norm.
Dit jaar zijn er drie mensen geïdentificeerd die het westnijlvirus in Nederland opliepen. Eén van hen ligt nog in het ziekenhuis; ook hierbij gaat het volgens het RIVM om een oudere, kwetsbare patiënt. Namen en exacte woonplaatsen worden niet gedeeld.
Drentse casus bevestigd
Los daarvan meldde GGD Drenthe eerder dat een vrouw waarschijnlijk aan het virus was overleden na een vakantie in Zuidoost‑Europa. Vandaag bevestigt het RIVM dat ook zij daadwerkelijk aan het westnijlvirus is gestorven, en dat haar besmetting niet Nederlands is.
Bij het instituut zijn daarmee dit jaar twee sterfgevallen bekend: één na een binnenlandse besmetting en één na een besmetting in het buitenland. Dat onderscheid is belangrijk om te duiden hoe en waar het virus circuleert.

Hoe het virus circuleert
Het westnijlvirus circuleert vooral onder vogels. De gewone huissteekmug (Culex pipiens) kan het oppikken door te prikken in een besmette vogel en het vervolgens overdragen op mensen en andere zoogdieren. Van mens op mens verspreidt het virus zich niet.
Besmettingen bij mens en paard zijn eindstations: zij spelen geen rol in de verdere verspreiding. De viruscyclus draait om muggen en vogels, vooral in warme maanden. In Nederlandse zomers kan het virus lokaal aanwaaien én tijdelijk standhouden.
Klachten: meestal mild
Bij circa tachtig procent van de mensen geeft een besmetting geen klachten. Ongeveer negentien procent krijgt griepachtige verschijnselen zoals koorts, hoofdpijn en spierpijn, soms met huiduitslag. Bij ongeveer één procent ontstaan neurologische problemen zoals hersenvlies‑ of hersenontsteking.
Ernstige ziekte treft vooral ouderen en mensen met een zwakke afweer. De meeste patiënten knappen binnen enkele dagen tot weken op. Er is geen specifieke behandeling of vaccin voor mensen; zorg richt zich op klachten verlichten en complicaties voorkomen.
Kwetsbare groepen
Het verhoogde risico geldt met name voor mensen boven de zestig, en voor wie kampt met hart‑ of longaandoeningen, diabetes, een nierziekte of een getemperd immuunsysteem door bijvoorbeeld transplantatie‑ of kankertherapie. Voor hen kan een muggenprik meer gevolgen hebben.
Artsen adviseren deze groepen extra alert te zijn in nazomer en vroege herfst. Wie na een muggenrijke vakantie of na prikken in eigen omgeving hevige hoofdpijn, nekstijfheid, aanhoudende koorts of verwardheid krijgt, doet er goed aan medische hulp te zoeken.
Verspreiding in Nederland
Het RIVM detecteerde het virus dit jaar in Utrecht, Noord‑Brabant en Zuid‑Holland, onder meer bij muggen, vogels en paarden. Daarbij hoort een belangrijke kanttekening: het kan ook op andere plekken circuleren zonder dat we het direct in de gaten hebben.
Vorige week werd voor het eerst sinds 2020 een binnenlandse besmetting vastgesteld bij een bloeddonor in Utrecht die niet recent in het buitenland was geweest. De nu overleden patiënt is niet dezelfde persoon, benadrukt een woordvoerder van het RIVM.
Onderzoek en bloedbank
De bloedbank Sanquin monitort donors en past extra tests toe wanneer het risico stijgt, bijvoorbeeld na signalen uit muggen‑ of vogelonderzoek. Zo worden besmette donaties tijdig opgespoord en geblokkeerd, zodat het virus niet via bloedtransfusies kan worden overgedragen.
Sanquin werkt samen met RIVM, GGD’en en de NVWA. Gegevens uit ziekenhuizen, laboratoria, dierenartsen en veldonderzoek door entomologen komen samen, zodat mogelijke brandhaarden snel in beeld zijn en er lokaal maatregelen kunnen worden genomen.
Paarden en veterinair beeld
Ook bij meerdere paarden is het virus vastgesteld. Volgens de NVWA gaat het om vijf bevestigde gevallen, waarvan de meeste in Zuid‑Holland. Een deel van de dieren werd ernstig ziek; sommige paarden moesten worden geëuthanaseerd om verder lijden te voorkomen.
Net als mensen zijn paarden eindgastheren: zij verspreiden het virus niet verder. Dierenartsen en eigenaren wordt wel geadviseerd alert te zijn op neurologische klachten, evenwichtsproblemen of plotselinge sloomheid, en dergelijke signalen snel te melden bij de autoriteiten.
Kans op besmetting en voorzorg
Volgens het RIVM blijft de kans om in Nederland besmet te raken klein, en het risico om er ernstig ziek van te worden nóg kleiner. Paniek is niet nodig, wel gezond verstand: minder muggenbeten betekent automatisch minder kans op problemen.
Praktische tips helpen: verwijder stilstaand water uit emmers en schotels, dek regentonnen af, hang horren op, draag in de schemering lange mouwen en broekspijpen, en gebruik een muggenwerend middel met DEET of citriodiol wanneer je buiten zit of slaapt.
Blik vooruit en vragen
Met warmere zomers en nattere lentes neemt de kans toe dat het virus zich vaker laat zien, en mogelijk langer blijft hangen. Daarom schaalt de monitoring met muggenvallen en vogelonderzoek op. Tegelijkertijd onderstrepen experts: het algemene risico blijft vooralsnog laag.
Heb je vragen, zorgen of juist ervaringen met maatregelen tegen muggen? Laat van je horen via onze sociale kanalen. We luisteren graag, bundelen nuttige tips en blijven dit onderwerp volgen zodat je precies weet wat er speelt in jouw omgeving.
Eerdere gevallen en context
Autonome besmettingen werden in Nederland voor het eerst in 2020 vastgesteld, toen er in de regio Utrecht een kleine reeks gevallen opdook. In Zuid‑ en Oost‑Europa duikt het virus al jaren elke zomer op, waardoor reizigers geregeld infecties meenemen.
De aanwezigheid houdt verband met trekvogels die het virus meebrengen, waarna lokale muggen het kunnen oppakken. Het Nederlandse surveillancesysteem is daar inmiddels op ingericht, met snelle rapportage en communicatie naar gemeenten zodra ergens virusactiviteit wordt aangetoond.
Bron: nos.nl





